conclusie AG over het voor het bewijs gebruik maken van een door de raadsman ter zitting afgelegde verklaring

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat verklaringen en mededelingen van de raadsman die ter terechtzitting, al dan niet op de voet van art. 279, eerste lid, Sv, als zodanig optreedt niet als wettige bewijsmiddelen kunnen gelden. Deze rechtsregel waarborgt dat de raadsman in vrijheid de verdediging kan voeren en in dat kader te berde kan brengen hetgeen hij in het belang van de verdediging acht, zonder erop bedacht te hoeven zijn dat zijn woorden eraan zullen bijdragen dat zijn cliënt wordt veroordeeld. Miskenning van deze rechtsregel kan niet alleen blijken uit de in de uitspraak (of de aanvulling daarop) opgenomen bewijsmiddelen, maar ook uit een nadere bewijsoverweging waarin verklaringen of mededelingen van de raadsman worden aangehaald.

Parket bij de Hoge Raad 15 januari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:22

 

geplaatst door advocaat strafrecht advocaat mr. Marjolein Grimmelikhuijsen

Bron: nieuwsbrief Bijzonder Strafrecht

Meer nieuwsberichten